Jeugdbescherming veelt geen marktgedrag

Delen:

“De wereld verandert voor altijd.” Bob Dylan zong het al in 1964. ‘Times they are a-changing’. Verandering is van alle tijden en organisaties moeten mee veranderen. Maar niet iedere verandering is een verbetering. Zo leert bijvoorbeeld de contractering van Gecertificeerde Instelling. Mijn conclusie: Aanbesteden in contrair aan de inhoudelijke opdracht. Bovendien vraagt deze taak centralisatie ten behoeve van adequate decentralisatie.

Gecertificeerde instellingen (GI’s) worden van overheidswege gecertificeerd om kinderbeschermingsmaatregelen en maatregelen in het kader van de jeugdreclassering te mogen uitvoeren. De bestuurlijke aansturing van deze GI’s blijkt uitzonderlijk complex. Dat te vereenvoudigen, blijkt het moeilijkste wat er is.

Vanaf 1 januari 2015 zijn de 42 jeugdregio’s verantwoordelijk voor de inkoop van jeugdbescherming en jeugdreclassering. Tegelijkertijd zijn de 16 instellingen die voorheen jeugdbescherming en jeugdreclassering uitvoerden vanuit een provinciale subsidierelatie “in de markt” gezet. Tot slot is er recent gewijzigde Europese aanbestedingswetgeving, gelden er specifieke kwaliteitseisen voor de betrokken instellingen en is er specifieke regelgeving in het gedwongen kader: – er is sprake van een rechterlijke maatregel en de Raad voor de Kinderbescherming adviseert welke GI de maatregel moet uitvoeren.

De combinatie van deze factoren maakt dat de inkoop van JB/JR zeer complex is gebleken. Dit knelt extra, in een situatie waarin er zorgen zijn over de vitaliteit van deze instellingen. In een aantal regio’s is er namelijk sprake van een flinke terugloop van ondertoezichtstellingen, waardoor de omzet van een aantal GI’s daalt. In theorie betekent dit dat er regio’s ontstaan waar geen GI meer is.

Met het oog op het borgen van de continuïteit van de jeugdbescherming en –reclassering hebben de 42 regio’s aangegeven voor de inkoop van 2018 voor een behoedzame inkoopstrategie te kiezen: de meeste regio’s verlengen de huidige contracten, sommige regio’s behouden de subsidierelatie.

Een verstandig en wijs besluit. Maar vooralsnog biedt het geen oplossing voor het feitelijke probleem: de complexe wettelijke kaders. De landsadvocaat heeft namelijk onlangs de uitspraak gedaan dat de dienstverlening van de Gecertificeerde Instellingen aanbesteed plichtig is. Deze wettelijke verplichting schuurt meer dan stevig met die van de kwaliteitswaarborgen (certificering Gecertificeerde Instellingen)) en het waarborgen voor rechtszekerheid van jeugdigen en gezinnen (Raad voor de Kinderbescherming en rechter). Samenwerking past hier beter dan concurrentie.

De decentralisatie introduceerde – ten minste impliciet – de marktwerking in de sector. Naar mijn inzien past een sterke cultuur van concurrentie en marktwerking niet bij het maatschappelijk belang van de taken van de GI en de impact daarvan op de maatschappij. Het is daarnaast de vraag of concurrentie past bij de gewenste en benodigde lokale gebondenheid en het aansluiten van het primair proces bij de gemeentelijke (sociale wijkteams) structuren.

In de context van marktwerking en aanbestedingen hebben gemeenten geen of te beperkte sturings- en bijsturingsmogelijkheden. Bijvoorbeeld om bij te sturen of bij te springen als de continuïteit in gevaar is. Daarnaast kan er sprake zijn van terugkerende discontinuïteit. Steeds als er regio’s hebben aanbesteed wordt het de vraag of dat GI(’s) die een aanbesteding niet winnen, nog wel levensvatbaar blijven. Dit vanwege de exclusieve afhankelijkheid van GI’s van gemeentelijke financiering voor Jeugdbescherming en reclassering.

Een zekere schaalgrootte van de GI’s is gewenst voor het borgen van de kwaliteit en continuïteit. Dit heeft, zoals  hiervoor al geschetst, twee redenen: ten eerste de continuïteit en kwaliteit van de bedrijfsvoering en ten tweede de kwaliteit en continuïteit van de zorg.

Gemeenten, GI’s, betrokken ministeries en de VNG onderzoeken nu welke maatregelen partijen binnen en buiten de wettelijke kaders kunnen en moeten nemen om die continuïteit te borgen. Onderdeel hiervan is om na te gaan of aanbesteding van jeugdbescherming en jeugdreclassering altijd noodzakelijk is en welke uitzonderingsgronden de Europese aanbestedingsrichtlijnen mogelijk nog bieden.

Dit alles leidt af dan wel gaat ten koste van de strategische wendbaarheid;  het vermogen van deze organisatie om hun strategische koers snel en effectief te veranderen, anticiperend of reagerend op kansen en bedreigingen in hun omgeving.

Mijn pleidooi is, de GI’s uit de klem van de markt en de overlevingsstand te halen. De marktwerking en het daarbinnen overleven kost vreselijk veel energie. Veel van de tijd, aandacht, energie en kwaliteiten zetten GI’s nu in voor het overlevingsmechanisme. Tijd, aandacht, energie en kwaliteiten die wij beter dienstbaar kunnen maken aan de werkelijke opdracht: het werk van alledag.

Ongetwijfeld zijn er juridische vondsten of olifantenpaadjes – die ook ik graag zoek – te vinden. Toch zou het voor deze publieke taak een doorbraak betekenen – en de huidige impasse opheffen – als er vanuit de overheid – op inhoudelijke gronden – besloten zou worden tot één landelijke organisatie voor drang en drang. Als deze organisatie op het niveau van de jeugdhulpregio’s vestigingen heeft, kunnen knuppel en zakdoek (dwang of drang) bijspringen of meelopen bij de uitvoering van het werk door robuuste, breed georiënteerde medewerkers binnen de lokale teams en hen zo in staat stellen jeugdigen en/of hun ouders/omgeving te motiveren tot het pakken en benutten van (nieuwe) kansen. Organisatorische centralisatie dus, als bijdrage aan inhoudelijke decentralisatie.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Een gedachte over “Jeugdbescherming veelt geen marktgedrag

  1. Helemaal eens met het pleidooi en het beoogde doel. ” Als deze organisatie op het niveau van de jeugdhulpregio’s vestigingen heeft, kunnen knuppel en zakdoek (dwang of drang) bijspringen of meelopen bij de uitvoering van het werk door robuuste, breed georiënteerde medewerkers binnen de lokale teams en hen zo in staat stellen jeugdigen en/of hun ouders/omgeving te motiveren tot het pakken en benutten van (nieuwe) kansen. Organisatorische centralisatie dus, als bijdrage aan inhoudelijke decentralisatie.”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *