Het juiste of het gemakkelijke pad?

Als er een moeilijk gesprek of pijnlijke situatie in de lucht hangt, zegt ons instinct: RENNEN! Confrontatie uit de weg gaan, telefoon niet opnemen, verdwijnen in je werk, feesten, drinken, kop in het zand. Iedereen doet dat wel een. Schuift moeilijke gesprekken of ingewikkeld werk voor zich uit en doet z’n best om aardig gevonden te worden. Alles om ongemakkelijke situaties te voorkomen. Weglopen voor een probleem is heel menselijk en tot op zekere hoogte ook te begrijpen. Maar waar je ook heen vlucht, die angst of het probleem verdwijnt er niet mee. Er komt een moment dat je er iets mee moet. En dat is niet per se makkelijk of leuk.

Een paar honderd euro per maand hebben gezinnen in armoede per maand extra nodig. Anders moeten zij hun kinderen deelname aan de sportclub ontzeggen of van de aankoop van noodzakelijke kleding afzien. Of, erger nog, hun gezin gezonde voeding ontzeggen. Zij klagen erover dat bij gezinnen met hogere inkomens sprake is van een overschot. De goede raad die zij veelal krijgen is, dat zij moeten leren de tering naar de nering te zetten. Oftewel, de uitgaven aanpassen aan de inkomsten. Meestal wordt er iets mee bedoeld als ‘ze moeten even de broekriem aanhalen’.

Een half miljard euro hebben de gemeenten extra nodig, anders moeten voorzieningen zoals zwembaden en bibliotheken sluiten. Dat zegt de ‘G40’, de organisatie van de veertig grootste gemeenten. De gemeenten krijgen al jaren minder geld en moeten daar steeds meer van doen. Hóe ze hun geld besteden mogen ze zelf bepalen. De G40 klaagt dat er in Den Haag een overschot is, maar dat gemeenten niet worden gecompenseerd. Ook mag een gemeentebegroting – net als de bankrekening van gezinnen die van een minimum moeten rondkomen, niet in de rode cijfers gaan.

Moeten wethouders niet net als die gezinnen zelf maar zorgdragen dat ze hun cijfers op orde hebben, of moeten anderen of het rijk bijspringen?

Ik zal niet beweren dat er geen extra geld naar de hiervoor bedoelde gezinnen of gemeenten moet. Als dat helpt om betere keuzes te maken, is dat prima. Anders ligt dat als extra geld maakt dat er noodzakelijke keuzes uit de weg gegaan worden. Vanwege dat laatste heb ik mijn vraagtekens bij de opstelling van de G40. De binnen het sociaal domein gevraagde transformatie vraagt – net als de transformatie van ons energiestelsel – verregaande keuzes. De effecten van die keuzes zal iedereen (moeten) merken.

De overheid dat zijn wij, u en ik. Wij hebben uit ons midden mensen tot bestuurders gekozen. Hun taak is het de verschillende belangen en keuzemogelijkheden in beeld te brengen. Om vervolgens – liefst samen met de inwoners die zij vertegenwoordigen – tot keuzes komen.  Waarbij duidelijk moet zijn dat niet alles en zeker niet tegelijkertijd kan Als de inwoners een zwembad gesubsidieerd willen hebben, of een betere bibliotheek, meer groenonderhoud of betere wegen, dan kan dat, als diezelfde bestuurders op andere terreinen – de zorg voor elkaar bijvoorbeeld – op hun inwoners (kiezers) kunnen rekenen.

De overheid is een functie, een rol binnen onze netwerksamenleving. Iedereen in die samenleving is gewoon een burger, ook ambtenaren en bestuurders! Ambtenaar-burgers en bestuurder-burgers – of dat nu bij gemeenten, provincies en departementen is, zijn geen de door ons vooruitgeschoven posten. Het zijn geen geldfabrieken. Integendeel, zij beheren uw en mijn centen. Dat deel van ons inkomen dat wij – volgens democratisch gemaakte afspraken – bijdragen aan een gezamenlijke pot, dat wij rijksbudget noemen. Uit dat gezamenlijk ingelegde geld betalen wij de voorzieningen waarvan wij vinden dat die tot nut en belang van iedereen zijn. Als nu ons wensenlijstje langer of groter is dan ons budget toelaat, dan moeten wij rond de tafel om opnieuw tot keuzes te komen. Juist dit laatste zijn wij – verwend door alsmaar toenemende luxe en gemak – een beetje vergeten of ontwend. Wij doen niets liever dan andermans geld uitgeven. Gemakshalve vergetend dat ‘andermans geld’ niks meer of minder dan ook en mede onze inleg is.

Gemeenten die voor hun lokale taken meer geld vragen, omdat zij lokaal te maken keuzes niet willen, kunnen of durven maken, doen in feite niets anders dan het lastige keuzeproces uit de weg gaan. Door het maken van keuzes door te schuiven naar een andere bestuurslaag. In dit geval het rijk.

Het rijk kan – als zij die keuze maakt – gemeenten meer geld uitkeren. En ook dan moeten er keuzes gemaakt worden. Doen wij taak x of y dan niet? Of minder? En zo ja, welke taak dan? Of kiezen wij ervoor een grotere inleg te vragen van onze inwoners? Die vervolgens klagen over het feit dat de overheid wel gemakkelijk omgaat met ‘hun’ centen.

Het vraagt een samenleving om een samenleving te realiseren. Wanneer u en ik lid willen zijn van de samenleving moeten wij ook de verantwoordelijkheid aanvaarden voor de keuzes die dat vraagt. Dan hebben wij niet de optie, noch het voorrecht, om ons lidmaatschap van de samenleving te weigeren wanneer we het ons uitkomt. Wij – en dat geldt ook voor de door ons gekozen bestuurders – kunnen onszelf niet distantiëren van en de schuld geven aan ‘de overheid’ als dat ons beter uitkomt. Gezamenlijk nemen we allemaal deel aan en bestaan ​​we uit dat ‘ding’ dat we ‘de maatschappij’ of ‘de overheid’ noemen.

De dans om en de focus op het geld van de G40 vind ik daarom kwestieus.  Zij verzuimen hun eigen inwoners te betrekken bij de keuzes die gemaakt moeten worden en de consequenties daarvan. Elk huishouden in Nederland, en dat geldt ook het huishouden van de samenleving, moet keuzes maken. Iedereen moet voortdurend keuzes maken en sommige keuzes zijn onvermijdelijk.

In het persoonlijke leven nemen wij de belangrijke beslissingen zelf, maar besluiten over hoe ons land wordt ingericht, welke regels er gelden, waar onze belastingcenten aan worden besteed etc. worden namens ons door anderen (die wij daarvoor kiezen) genomen. Zij zijn uiteindelijk onze vertegenwoordigers die namens ons keuzes maken.

De bestuurders van de G40 gedragen zich als NIMBY’s: mensen die een bepaalde ontwikkeling toejuichen, maar hier geen consequenties aan willen verbinden. Daardoor ontstaat een doorschuifeffect. Juist dit doorschuifeffect faciliteert het probleem: wij kunnen of durven geen keuzes meer te maken. Wij durven elkaar niet meer te zeggen: als wij dit willen, dan kan dit of dat niet (meer, in dezelfde omvang of alleen als uzelf daarvoor wat wilt doen).

Goed besturen draait om delen en verbinden. Waarbij bestuurders de (door ons aan hen opgedragen en geaccepteerde) taak hebben om de keuzes te maken en te verdedigen die bijdragen aan de samenleving die wij wensen. Inclusief de keuze om de inwoners – u en mij dus – aan te spreken, en zo nodig te confronteren, met dat wat nodig is om de tering naar de nering te zetten. De keuze voor (meer of minder) inleg (in centen) of bijdrage (in het zelf doen) daaraan is daar een van.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *