Kind uit huis niet altijd beter af

De minister wil de jeugdzorg verbeteren door de organisatie daarvan te versterken. Als die organisatie met de plannen van de minister kan worden versterkt, is dat positief te noemen. Het is echter de vraag de focus niet eerder zou moeten liggen op dat wat kinderen echt nodig hebben. Ondersteuning in een vorm die zo dicht mogelijk bij het normale gezinsmodel aansluit bijvoorbeeld. Het verhaal van Hans en Marcel, maar ook de verhalen van de andere kinderen die destijds bij mij woonden en met wie ik nog regelmatig contact heb (Michel, Herman) sterken mij in die overtuiging. Juist daarom ook pleit ik ervoor dat gemeenten daadwerkelijk in de positie zijn en blijven om jeugdhulp uit te voeren. Met voor de kinderen die gedurende korte of langere tijd niet thuis kunnen wonen een thuis in de buurt. In de vorm van buurt- en in- of meeloopgezinnen, gezinshuizen of pleeggezinnen.

Meer dan veertig jaar geleden is het bijna dat een aantal jeugdhulpverleners ervoor pleitte om gewone inrichtingen af te schaffen en zeer moeilijk opvoedbare kinderen op te nemen in “gewone huizen in gewone wijken”. Dat gaf toen (onverwachte) impuls aan vernieuwing van de jeugdhulp. Ik mocht in die beginjaren een van die hulpverleners zijn.

Inmiddels is er niets meer van die (Browndale) werkwijze over. Als gevolg van de invoering van een CAO, een werktijdenbesluit en tal van andere bureaucratische regeltjes. Waardoor deze vorm van jeugdhulp onbetaalbaar werd. Toen ik als jochie van 19 die kans kreeg voelde ik mij de hemel te rijk. Ons werk, destijds gestart onder verantwoordelijkheid van de Gunning Browndale Stichting in Rotterdam, werd betaald door de Gemeentelijke Sociale Dienst Rotterdam. Zij betaalden de plaatsingen en niet snel daarna volgde ook Justitie. Ik was – als voortijdig schoolverlater – tot dan toe een broodventer (Bakker Kouwenberg, Nijmegen) en ober (Van der Valk, Molenhoek) geweest. Pas jaren later (1980) studeerde ik af aan de Sociale Academie te Rotterdam. Vandaag de dag kan dat allemaal niet meer. Enthousiasme is leuk, maar zonder vakkennis kinderen met behoorlijke rafelrandjes weer op de rails krijgen? Dat kan nu (toch) niet. Of toch wel?

Afgelopen week ontving ik van Hans (11), een van de jongens die – samen met zijn broertje Marcel (9) – in 1976 bij mij in huis woonden, een berichtje via Messenger. Het bericht deed mij en mijn overtuiging groeien.

“Goedemorgen Peter Paul, ben jij vergeten hoe je mij toen vasthield? Om mij rustig te houden? Ik weet nog dat we naar jouw ouders gingen en dat we daar brood met appelmoes aten. Dat was leuk. En weet je nog, dat ik ’s ochtends aan de ontbijttafel altijd moest kiezen? ‘Pap’ of ‘brood’. Herinneren, herinneren, herinneren! Dat jij mee ging naar de tandarts en naar de voetbalvereniging (Xerxes, Rotterdam) en naar school. Of die moorkoppen, waarvan ik zei dat ik er wel tien achter elkaar kon opeten. Wat niet lukte natuurlijk! Of de hond die we hadden, Wodan. Ik ben nu 54 jaar, maar ik ben dat allemaal niet vergeten. Ik vond het zo lief dat er iemand was er voor mij. Het ga je goed ouwe vriend van vroeger. Groetjes, Hans.”

PS.

“Ook met Marcel gaat het goed en ook hij herinnert zich jou en de Kerst die wij samen vierden. Dat vond hij zo leuk en er is veel meer om leuk op terug kijken. Groetjes aan je vrouw. Ik ga nu eten, spreek je gauw.”

“Kinderen, die in tehuizen verblijven, krijgen niet wat ze nodig hebben en wat de gemeenschap hun is verschuldigd”, was een conclusie uit het toen (1974) verschenen Zwartboek Kinderbescherming. Deze conclusie vertolkte de gevoelens van “driehonderd mensen die dagelijks met kinderen in tehuizen werken “. Het was één van de redenen, waarom wij toentertijd iets anders wilden weergeven. Zo ontstond Browndale, waar wij op eigen wijze zochten naar antwoorden op bovengenoemde problematiek.

Redenen voor opname waren schoolmoeilijkheden, agressief gedrag, delinquentie, ‘promiscuïteit, zwerven, brandstichten, suïcidaal gedrag en zo meer. Naast een aantal door instanties als psychotisch en autistisch gediagnostiseerde kinderen waren het vooral kinderen, die vanaf hun prille jeugd ernstig emotioneel of pedagogisch verwaarloosd waren. Vaak kinderen, die van het ene pleeggezin of inrichting naar het andere zijn gegaan en voor wie Browndale, een “eindstation” betekende. Soms namen wij kinderen op voor een korte observatieperiode van ongeveer tien dagen. Er was een open intake en geen wachtperiode. In de korte tijd heeft dit in die jaren geleid tot opname van meer dan 300 kinderen in ongeveer 50 huizen.

De organisatie waarvoor ik destijds werkte (Gunning-Browndale Stichting, later Stichting Kleinschalige Hulpverlening aan Jongeren (SKHJ) huurde of kocht eengezinswoningen in een wijk van een stad. In een woning worden 5 of 6 jongens en meisjes van verschillende leeftijden geplaatst. Per wijk zijn niet meer dan 6 van dergelijke huizen; niet naast elkaar, maar verspreid over de wijk. De staf in het huis bestond uit drie tot vier jonge groepsleiders en groepsleidsters. Met deze opzet wilden wij het kind, dat door zijn gedrag uit de gemeenschap is gestoten, het gevoel geven dat het t6ch tot een gezin woont; een “gezin”, waar ouderfiguren voor hem zorgen. Bovendien woonde het kind in een huis dat niet verschilt van dat van de andere gezinnen in de buurt. Het voorkwam de discriminatie, “een kind uit een inrichting” te zijn. Ieder therapeutisch “gezin” ontving zijn eigen inkomen (huishoudgeld), afgestemd op dat van het gemiddelde gezin. Zo beslisten wij zelf wat er aan meubilair moest komen, of er een televisie of een auto nodig was, enzovoorts. Wij, als “ouders”, deden inkopen voor de maaltijden en betrokken de kinderen hierin. De kinderen ontwikkelen op deze manier begrip voor geld en verantwoordelijkheid voor wat er in hun huis kwam of kapot ging.

Ieder gezin bepaalde ook waar het de vakantie zou doorbrengen. Zo maakten wij bijvoorbeeld mee, dat wij met een volkswagenbusje door Engeland trokken Het bleek mogelijk te zijn, voor deze toch ernstig gestoorde kinderen, dusdanige voorzieningen te treffen (onder andere voldoende leiding), dat dit alles kon. Het meemaken van een dergelijke onderneming betekende voor de kinderen een verhoging van hun gevoel van eigenwaarde.

Dit alles was financieel mogelijk doordat men geen hoge kosten heeft voor het onderhoud van grote gebouwen en te veel hulpverleners. Wij woonden vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week bij en met de kinderen die bij ons verbleven. Het tegenwoordige werktijdenbesluit maakt dat daarvoor vandaag al gauw zes tot negen hulpverleners nodig zijn. Waarmee deze vorm van jeugdhulp niet alleen ‘werk’ is geworden, maar ook onbetaalbaar. De “verpleegprijs” voor ‘onze’ kinderen was fors lager dan wat de reguliere jeugdhulp toentertijd al kostte. De open intake was mogelijk, omdat steeds eengezinswoningen werden aangekocht, wanneer er in andere huizen geen plaats meer was.

De buurtkinderen bleken namelijk eveneens graag bij ons over de vloer te komen. Wij hadden tijd en aandacht voor hen en vonden niet alle fantasieën en emoties gek. Kinderen uit de buurt deelnamen aan allerlei vormen van sport en vrije tijd die wij organiseerden. Zo hadden wij onbedoeld, maar zeer gewenst, ook een betekenis voor de kinderen buiten ons gezin.

Een   kind kan alleen emotioneel groeien als er een hechte en veilige relatie is met een ouderfiguur, die — vooral als het kind emotioneel jong is — op alle momenten aanwezig is, dat dit nodig mocht zijn. Dat was en is nog altijd zo. Onze opgave was tot een wezenlijke relatie met het kind te komen, zodat er een gevoel ontstond van “bij elkaar te horen” en zodat het kind voelt dat het gewenst is en geaccepteerd wordt zoals het is. Alles kan dan belangrijk zijn: opstaan, eten, spelen, niets doen, zich terugtrekken, slapen. De wijze waarop deze ouderlijke zorg wordt gegeven bepaalt de therapeutische werking ervan.

Bovenstaande is vandaag helaas relevanter dan ooit. Kinderen die weken, zo niet maanden, moeten wachten voordat ze de hulp krijgen die ze nodig hebben. Als ze die al krijgen. Ouders die verloren raken in het systeem. Kortom, jeugdzorg en jeugdbescherming in Nederland staan in brand. Een brand die de verantwoordelijk minister wil blussen met een structuurverandering. Hij rent – het spoor volledig bijster – als een olifant door de porseleinkast.

Ik heb tientallen jaren ervaring in en met de jeugdzorg. Eerst dus bij Browndale, later bij een project voor begeleid wonen (kamer-training), dagopvang voor niet schoolgaande jeugd en daarna als directeur, bestuurder, wethouder en adviseur binnen het sociaal domein. In al die jaren hebben de ouders en kinderen waarmee ik mocht optrekken mij steeds één ding geleerd: ouders en kinderen willen er samen goed uitkomen. Alleen lukte dat niet altijd. Soms moet je constateren dat bij elkaar blijven wonen geen optie is. Niet, omdat ze niet willen, maar omdat het niet kan. Maar de ouders blijven wel ouders. En de kinderen zijn hun kinderen. Zoals de kinderen hun ouders, wat ze ook deden of doen, als hun ouders (willen) blijven zien. Juist daarom vind ik dat wij er alles aan moeten doen om kinderen een thuis te bieden.

Het gaat om liefde, warmte en respect leerde ook een rondgang van oud-kinderrechter Leeser langs kinderen met wie zij te maken had. Zij maakte voor het boek ‘Een moeilijke jeugd’ (2008, met Loes de Fauwe) een tocht langs volwassenen die als kind voor haar in de rechtszaal verschenen. Met de één gaat het nu heel goed, de ander blijft levenslang tobben. In de succesverhalen figureert vaak een liefhebbende pleegouder of zeer betrokken voogd. Zo zit het volgens Leeser: weet een kind zich met genegenheid omringd, ontmoet hij volwassenen die hem begrijpen, stimuleren, koesteren, dan kán een uithuisplaatsing het begin zijn van iets moois. Of in elk geval iets beters.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Achtergrond

Tienduizenden kinderen werden de afgelopen jaren op last van de kinderrechter uit huis geplaatst. Heeft die maatregel ze geholpen? Of hadden ze beter thuis kunnen blijven?  Talrijke kinderen komen in een pleeggezin of tehuis. Voor hun eigen bestwil, omdat het thuis te riskant leek of onveilig was.

De grote groep kinderen die dit lot treft, is zeer gemêleerd: er zijn slimme, beperkte, lastige, zelfredzame, heel jonge, puberende, mishandelde, misbruikte en alsmaar weglopende kinderen bij. Die hebben op hun beurt weer verslaafde, gewelddadige, beperkte, liefhebbende, ruziënde of verstandige ouders, die door omstandigheden even de grip op hun leven kwijt zijn.

In de wet staat dat kinderen alleen uit huis geplaatst mogen worden als dat ‘noodzakelijk’ is. De maatregel is een ‘ultimum remedium’, een uiterste middel. Een uithuisplaatsing is een paardenmiddel, een stormram waarmee het gezinsleven flink wordt ontwricht. Dat is voor een kleine groep kinderen onontkoombaar. Maar daarnaast is er een groot, grijs gebied van kinderen die mogelijk gevaar lopen thuis. Die misschien in hun ontwikkeling worden bedreigd, omdat hun ouders in een vechtscheiding verwikkeld zijn, of omdat hun moeder langdurig zwak, ziek of misselijk is. Die op grond van inschattingen, vermoedens en beschuldigingen uit hun vertrouwde omgeving worden gehaald. Die kinderen snappen niet altijd waarom ze weg moeten. Ze zijn het er soms ook helemaal niet mee eens.

Dat trauma is niet zelden het begin van een tocht die voor elk kind anders uitpakt. Goed of slecht, dat hangt voor een belangrijk deel ook af van waar het kind terecht komt, en van de begeleiding die het daar krijgt.

Juist daarom ook pleit ik ervoor dat gemeenten daadwerkelijk in de positie zijn en blijven om jeugdhulp uit te voeren. Met voor de kinderen die gedurende korte of langere tijd niet thuis kunnen wonen een thuis in de buurt. In de vorm van buurt- en in- of meeloopgezinnen, gezinshuizen of pleeggezinnen.

Advertenties

Sommige be

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *