‘Wat-werkt-kennis’ als basis van sociale wijkteams: een must

Afgelopen jaren is de kennis over ‘wat werkt’ in de zorg enorm toegenomen. Dit heeft zijn uitwerking gehad in de manier waarop we met cliënten/klanten/burgers overleggen en hoe we ze ondersteunen in het krijgen van grip op hun problemen. Twintig jaar geleden gingen we er bijvoorbeeld nog vanuit dat vooral het goed aansluiten op het taalgebruik van cliënten essentieel was in de samenwerking. Inmiddels weten we wel beter. Het kan nog veel effectiever. Onderzoek laat zien dat naast het aansluiten bij taalgebruik, het aansluiten bij de vraag, het doelgericht werken richting perspectief, het structureren van de ondersteuning en het zichtbaar maken van vooruitgang, werkzame elementen zijn in het werken aan de gewenste verandering. Dit heeft consequenties voor de manier van gespreksvoering. Een ‘prettig’ gesprek is iets anders dan op een effectieve manier informatie verzamelen. Voor een goede start, een goed verloop en een goede afsluiting is meer nodig. Laten we de professionele kennis die er is gebruiken.

De transitie en de daarmee gepaard gaande transformatieopgave verlangt van sociale wijkteams dat ze de principes van eigen kracht, gezamenlijk oplossingen zoeken en wederkerigheid als leidraad nemen in hun dienstverlening aan burgers. Helaas wordt soms de indruk gewekt dat dit zoveel mogelijk dient te gebeuren buiten de gebaande paden van reeds eerder ontwikkelde kennis. Uitspraken als: “Je moet je theoretische basis opzij schuiven, gewoon je gezonde verstand gebruiken” en “Weg met alle richtlijnen en protocollen” klinken in eerste instantie misschien bevrijdend, maar zijn uiteindelijk verontrustend als nieuwe ideologie. We gaan hiermee terug naar de context van begin jaren 80. Met als enige bagage onze intuïtie en psychologie van de koude grond en zetten zo zorgvuldig vergaarde kennis overboord. Zijn we op weg naar het land van het ‘nieuwe niks’? Of is er voor een deel ook sprake van spraakverwarring en voor een deel onbekendheid met ‘kennis over wat werkt’?

Laten we de optie ‘spraakverwarring’ eens bekijken. Wordt door de betreffende woordvoerders met richtlijnen en protocollen wellicht een te strakke en rigide regelgeving bedoeld? Waardoor effectieve ondersteuning soms onmogelijk wordt gemaakt, ondanks de goede bedoelingen van de betrokkenen? Bijvoorbeeld: om in aanmerking te komen voor schuldsanering moet er een zekere mate van overzicht zijn over de financiële situatie. Helaas is juist het ontbreken van dit overzicht vaak kenmerkend voor mensen die dringend behoefte hebben aan schuldsanering. Wordt dan bedoeld met minder richtlijnen en protocollen dat we het zo moeten organiseren dat we onszelf niet tegen werken met een teveel aan regels en starre procedures? Of dat we verder moeten gaan met ontschotten zodat we flexibeler in staat zijn om budgetten efficiënt te besteden? Hier zal niemand tegen zijn.

Waar zit dan de spraakverwarring? Dat de termen richtlijnen en protocollen op overheidsniveau iets anders betekenen dan in de zorg? In de zorg zijn er namelijk ook richtlijnen en protocollen. Die bestaan volstrekt niet uit starre regels, maar ondersteunen in het op maat hulp bieden. Ze bevorderen ook de veiligheid in de zorg, zoals de checklists in de operatiekamers. Er is overigens in de zorg een zeer genuanceerde discussie over het flexibel en toch verantwoord gebruiken van richtlijnen.

Zo zijn er bijvoorbeeld voor praten over onveiligheid goede, doordachte richtlijnen en protocollen ontwikkeld. Juist om te vermijden dat we gezinnen en jeugdigen met goedbedoelde, maar niet handig uitgevoerde gespreksvoering van de regen in de drup helpen. Of juist het gesprek niet aangaan omdat er allerlei misvattingen zijn over wie het gesprek zou moeten aangaan, waardoor er uiteindelijk niets gebeurt en misbruik blijft bestaan.

Een ander voorbeeld gaat over de begeleiding van cliënten met een licht verstandelijke beperking. Intuïtief zal hierbij de insteek zijn: duidelijke uitleggen met concrete voorbeelden. State of the art kennis schrijft ons echter voor dat het accent niet zozeer moet liggen om meer tijd uit te trekken om meer te praten, maar dat we concreet moeten voordoen wat we bedoelen en oefenen met cliënten/burgers. En niet alleen als het over praktische zaken gaat, maar vooral ook met sociale situaties. Omdat we voor deze doelgroep met praten alleen niet concreet genoeg zijn.

En als laatste een voorbeeld over kennis van psychische problematiek. Het is tegenwoordig ‘in’ om tegen diagnoses te zijn. Althans psychische diagnoses. Wat vreemd is: want als we lichamelijk iets mankeren vinden we het erg belangrijk dat de diagnose juist is omdat we anders de verkeerde behandeling krijgen. Ook voor psychische problematiek is een diagnose van groot belang. Druk gedrag bij een jeugdige kan voortkomen uit ADHD-problematiek, door gebrek aan overzicht door informatieverwerkingsproblematiek of een symptoom zijn van traumatische ervaringen. Het is evident dat de diagnose bepalend is voor de aanpak en het succes op verbetering.

Uiteraard is het stellen van een goede diagnose iets anders dan het aanvinken van een DSM-lijstje met symptomen. Een goede diagnose is veel meer dan dat. Een goede diagnose brengt die factoren van de burger, zijn/haar omgeving en in hun interactie in kaart (zowel sterke kanten als kwetsbaarheid) die relevant zijn om effectief te interveniëren. Voor het juist inschatten van het gewicht van de factoren is vakkennis noodzakelijk.

We moeten waken voor uitspraken als kennis aan de kant en gezond verstand op de eerste plaats. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt immers dat ons gezonde verstand soms minder goed werkt dan we zouden willen. Juist in situaties waarbij we keuzes moeten maken, kunnen de richtlijnen en protocollen ons helpen. Een keurslijf zijn ze alleen voor diegene die ze niet begrijpen of er zelfs nooit kennis van hebben genomen. Juist nu, nu we steeds beter weten wat de werkzame elementen zijn binnen behandelingen (maar ook welke elementen bewezen niet effectief zijn), moeten we er voor zorgen dat we ze blijven benutten. Small talk in het opbouwen van een werkrelatie met cliënten/burgers is daar een onderdeel van, maar een opmerking over ‘wat heeft u leuke gordijnen’ is niet helpend bij een keukentafelgesprek. Een ouder wiens kind zelfmoord wil plegen zit niet op prietpraat te wachten. Gelukkig staat dat in onze protocollen. Dus, eerder leren en trainen dan ‘je logica volgen’ of ‘dicht bij jezelf blijven’. Laten we mensen (blijven) scholen zodat we respectvol, zorgvuldig en met ‘state of the art’ kennis van zaken effectief en efficiënt kunnen ondersteunen, pas dan transformeren we met de principes van eigen kracht en gezamenlijk oplossingen zoeken de goede kant op.

piresearch

Marca Geeraets, senior adviseur PI Research

Marianne Haspels, programmaleider PI Research

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *