Weten is meer dan meten!

De ontwikkelingen binnen het sociaal domein vragen om nieuwe vormen van sturing, verantwoording en monitoring. Om te verbeteren, is het nodig regelmatig de voortgang  te meten. Conclusies op basis van uitsluitend cijfers zijn echter onvoldoende. Ook de ervaringen en inzichten van formele en informele uitvoerders en inwoners zijn nodig. Het gaat om tellen én vertellen.

Hoe zorg je als gemeente of organisatie voor transparantie om de inzet van publieke middelen te verantwoorden? Hoe creëer je ruimte om onderweg te leren? Hoe kun je de voortgang continu volgen en verbeteren?

De decentralisatie van het sociaal domein is jong en is nog bezig zijn plaats te vinden in het lokale bestuur. Dat betekent dat er de nodige hobbels te overwinnen zijn en er veel valt te leren. Gedurende dat ontwikkelproces  worden we overspoeld door rapporten, monitor-rapportages en wat al niet meer.

Anders dan wij onszelf graag voorhouden zijn zij niet de Haarlemmer olie die al onze vragen zullen beantwoorden. Of de problemen oplossen. Het echte werk van duiding geven aan data wordt gedaan door ervaren professionals die vaardigheden gebruiken die zij zich pas na jaren van studie en eigen hebben gemaakt. Deze vaardigheden bestonden al geruime tijd voordat er sprake was de monitor-rage.

Gemeenteraden zijn dan ook terecht kritisch over de  informatievoorziening binnen het sociaal domein. Een betere informatievoorziening is nodig, om beter te sturen op goede hulp aan kwetsbare mensen. Dat is een van de conclusies van het onderzoek ‘Rol gemeenteraad, uniek samenspel’ (januari 2019) .

Een goed beeld hebben of inwoners de juiste zorg en ondersteuning krijgen en of dit goed georganiseerd is. Dat is van de taken van de gemeenteraad. Dat vraagt om een betrouwbare en heldere informatievoorziening. Goede informatie is dus één van de sleutels voor de positie en rol van gemeenteraden in het sociaal domein. En juist dat  blijkt een ingewikkelde opgave.

Niet alleen is het thema  voor veel raadsleden overweldigend complex, breed en diep. Het is vaak ook  omgeven met lastig in te schatten financiële, sociaal-maatschappelijke en politieke risico’s. Met vaak kritische en wantrouwende raadsleden als gevolg.

Het probleem van veel raadsleden is dat ze wel cijfers krijgen, maar ze niet begrijpen kunnen. Anders gezegd: ze beschikken over een hooiberg aan cijfers, maar waar ze binnen die hooiberg naar moeten kijken? Dat laatste zorgt er voor dat raadsleden extra kritisch – en vaak zelfs met enig wantrouwen – kijken naar de informatie over het sociaal domein die ze krijgen van het college en het ambtelijk apparaat.

Stel, je hebt een mooi huis, maar geen poetshanden. Je laat een poetshulp komen. Na een tijdje ga je na of je tevreden bent over de poetshulp. Maar hoe doe je dat? Kijk je hoeveel uur hij of zij in huis was? Of welke hulpmiddelen er gebruikt zijn?  Waarschijnlijk niet. Je kijkt of je huis schoon is. In het sociaal domein kijken wij echter meer naar de inspanning dan naar het resultaat.

Een raadslid zegt niet zomaar “het kan wel een onsje minder”. Zeker niet als het gaat om thema’s als jeugdzorg. Geen gemeenteraadslid wil verantwoordelijk gehouden worden als dat een calamiteit veroorzaakt, zoals een kind dat overlijdt.

Bij resultaten kun je onderscheid maken tussen productie en bedrijfsvoering (output) en resultaat en succes (outcome). Output zijn de activiteiten en tastbare resultaten van wat je doet. Bijvoorbeeld het aantal werkuren van de poetshulp. Outcome is het gewenste effect van wat je doet. Een goed verzorgd huis als het gaat om de poetshulp. En bijvoorbeeld meer zelfredzaamheid van bezoekers als het gaat om een maatschappelijke organisatie.

Bij de poetshulp vinden we het heel normaal om te kijken naar het bereiken van de gewenste outcome. Professionals in het sociaal domein worden veelal beoordeeld op de activiteiten. Denk aan een maatschappelijk werker die betaald wordt voor het aantal gesprekken of contacten met mensen in plaats van wat het contact betekent voor het welbevinden van die mensen. Dit laatste gaat over het kijken of de ingezette ondersteuning ook leidt tot de effecten die we ermee willen bereiken en – waar nodig – ze bij te sturen.

Een goede monitor, zo leert de ervaring, is niet een monitor met heel veel content. Heel veel content maakt een monitor zelfs onbruikbaar. Een goede monitor plaats de cijfers in de context en vertelt wapenfeiten; bereikte resultaten. Dat vraagt een goede filtering van de beschikbare data voorafgaand aan de analyse ervan.  Door de juiste vragen te stellen. Liefst in een divers samengesteld team, dat beschikt over een breed referentiekader. Waar meerdere gebruikersgroepen samen interactief naar de monitor kijken, neemt de waarde toe.

De waarde en betekenis van een monitor hangt ook samen met de sturingsfilosofie. Wordt er bijvoorbeeld gestuurd op waarden, op maatschappelijk effect of juist op het primaire proces?

Om te verbeteren, is het nodig regelmatig de voortgang  te meten. Conclusies op basis van uitsluitend cijfers zijn echter onvoldoende. Ook de ervaringen en inzichten van formele en informele uitvoerders en inwoners zijn nodig. Overstijg hierbij de casuïstiek en ga op zoek naar opvallende patronen. Neem tijd voor reflectie, leren en het realiseren van maatschappelijk resultaat. Het gaat om tellen én vertellen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *