En nou is het afgelopen!

Soms bekruipt mij de gedachte dat ‘goede ouders’- juist door onze jeugdhulp – een uitstervend ras zijn.  Een goede ouder begeleidt en ondersteunt. Stimuleert z’n kind om zelfstandig iets te doen. Toont zelf goed gedrag. Kleineert of beledigt nooit. Toont dagelijks liefde. Zegt sorry. Straft verkeerd gedrag. Laat z’n kind in zijn waarde. Weet met wie z’n kind omgaat. Stelt normen en waarden boven succes. Maakt elke dag even tijd voor zijn kind. Praat en luistert.

In september 2009 kopte een artikel in Trouw “Wie doet de opvoeding?” Met als conclusie: Ouders en docenten. Vandaag de dag lijkt die vraag als antwoord te hebben: ‘de staat’!

Ouders zijn naar mij overtuiging de eerst verantwoordelijken voor de opvoeding van hun kind. In toenemende mate echter lijkt het dat ouders wel de lusten, maar niet de lasten van de opvoedingstaak accepteren. Zodra het moeilijk wordt, is de overheid het aanspreekpunt en het (financiële) haasje.

Uitdagingen en vragen horen bij ouderschap. Tegelijkertijd zie ik dat ouders steeds vaker niet langer een ‘neus’ hebben voor ‘gewoon opvoeden’. Hierdoor komt de opvoeding van kinderen steeds meer in handen van professionals. Dat kan niet alleen anders. Het moet anders!

Op de kinderafdeling van een ziekenhuis zag ik op een poster geschreven: ‘Let meer op uw kinderen dan op de monitor’. Hoewel het een oproep is aan ouders in een medische context, verbeeldt deze poster ook een trend in de jeugdhulpverlening. Het is een tendens om risico’s en opvoedproblemen steeds meer neer te leggen bij de samenleving dan wel overheid.

Diezelfde overheid echter heeft, met de beste bedoelingen, precies dat gedaan wat zij niet moest doen: bijgedragen aan het verminderen van de steun die ouders elkaar onderling geven en de steun uit de nabije omgeving teruggedrongen. Gevolg: opvoeden is vervangen door superspecialisatie en zwaardere inzet dat nodig en gewenst.

Het effect hiervan is dat ouders en professionals steeds meer de kinderen als potentiële risicogevallen aanmerken.

En nou is het afgelopen! Nou is het klaar! Ik wil niet meer dat ouders (te gemakkelijk) wegkomen met hun handelingsverlegenheid. Zeker niet zonder zichzelf in te spannen om handelingsbekwaam te worden.

Het is een terugkerende ergernis. Ouders die bellen met de mededeling dat “er nu een oplossing voor hun kind gezocht moet worden.” Terwijl diezelfde handelingsverlegenheid toch vooral een probleem van de ouders lijkt te zijn. Wat je ook gewoon kunt oplossen. Niet, door de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te verleggen (van thuis naar overheid), maar door handelingsbekwaam te worden; bijvoorbeeld. Ouders moeten niet de mogelijkheid krijgen zo snel bij de pakken neer te zitten. Of het (lastige) pakket dat ‘opvoeden’ heet door te schuiven naar anderen.

De meeste kinderen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Daarnaast is er een (groeiende) groep van van ouders met thuiswonende kinderen die zegt zich wel eens zorgen te maken over de opvoeding of ontwikkeling van één of meerdere van hun kinderen. Deze ouders zoeken daarvoor hulp of advies buiten het eigen gezin, de familie of de vriendenkring. Veel ouders weten kennelijk niet zo goed hoe ze met veel voorkomende problemen van hun kinderen om moeten gaan. Terwijl heel veel van die ‘problemen’ eigenlijk heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn – tot op zekere hoogte – normale verschijnselen bij kinderen. Verbonden aan de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden. Het is het moment waarop dit soort gedrag optreedt, de duur en de intensiteit die maken of iets wel of niet zorgen moet baren (Van Yperen, 2009). Omdat veel problemen heel normaal zijn, is het omgaan met die problemen te beschouwen als een gewone opvoedingsopgave voor ouders, beroepsopvoeders (pedagogisch medewerkers, leerkrachten) en gemeenschappen zoals buurt en gemeenten.

Intussen stijgt het aantal jongeren onder de 23 jaar dat jeugdzorg krijgt gestaag, zo blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek en krijgt een op de tien jongeren in Nederland een vorm van hulp. Dat is een zware last voor gemeenten, Dat komt enerzijds doordat gemeenten de jongeren die de hulp nodig hebben beter weten te vinden. Tegelijkertijd wordt de jeugdhulp ‘opgerekt’: steeds meer vormen van hulp valt onder jeugdzorg. Van kindercoaches tot brugklastraining. Mede daarom pleit ik ervoor om de drempel naar professionele jeugdhulp te verhogen. Niet, door te ontkennen dat opvoeden lastig is, maar door te durven erkennen dat kwetsbaarheid bij het leven hoort en problematiek rondom opvoeden en opgroeien daar dan ook niet van uitgesloten zijn. Deze zienswijze opent niet alleen het venster naar een andere kijk op hulp en opvoeden. Het brengt ouders ook weer in positie. Omdat het appelleert aan het ‘gewone’ leven.

Goede jeugdhulp is niet het ‘uit het gezin weg organiseren’ van problemen, maar het – zo nodig samen met het gezin – leren hanteren ervan.  Zo ook kunnen wij voorkomen dat ‘gewone’ opvoedingsvraagstukken worden geframed als jeugdzorg. Terwijl het eigenlijk over heel gewone (en ja, soms ook verdraaid lastige) opvoedingsvraagstukken gaat. Kortom, de boodschap: moet niet zijn dat ‘de overheid’ voor ouders en kinderen kan (en zal) zorgen. Dan zal de jeugdzorg een gevaar voor de jeugd worden. Goede opvoeding en jeugdhulp begint bij ouders die begeleiden en ondersteunen. Die kinderen stimuleren iets zelfstandig te doen. Die gevraagd gedraag zelf voorleven. Die kinderen in hun waarde laten, juist ook door normen de stellen en waarden over te brengen. En ja, dat vraagt elke dag even iets van onze eigen tijd!

Ouders die dat alles niet kunnen of willen opbrengen, of ouders die niet meer zo goed weten hoe ze hun kinderen moeten opvoeden, moeten wij durven confronteren met de ongemakkelijke waarheid dat niet ‘hun’  of ‘de’ kind(eren) het probleem zijn, maar hun eigen (niet) doen of laten. Om vervolgens samen met hen te bezien hoe wij dat kunnen veranderen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *